oma-und-opa-beffd367-a6df-461a-90d3-70b8ea42e764_FotorDe tweede fase van dementie is ‘de verdwaalde-ik’ of ‘matige dementie’. Onderstaande omgangstips kunnen je helpen bij deze fase. Aangezien dementie een proces is waarbij de drie fases in elkaar overvloeien, is het goed om de tips van ‘beginnende – milde dementie’ en de ‘algemene omgangstips’ eveneens te lezen. Sommige daarvan kunnen ook bij de fase van matige dementie van nut zijn.

  • Verander de omgeving (het huis) waarin de oudere zich bevindt niet of zo weinig mogelijk. De omgeving moet herkenbaar blijven voor de oudere.
  • In deze fase is de nood aan voorspelbaarheid zeer groot aangezien deze ouderen met dementie verward zijn in tijd en ruimte. Zorg voor die voorspelbaarheid, maak gebruik van een agenda die steeds raadpleegbaar is en duidelijk zichtbaar is voor de oudere.
  • Maak gebruik van rituelen. Was bijvoorbeeld de oudere steeds op dezelfde manier, maak gebruik van steeds dezelfde dagindeling (op een vast uur eten, slapen,…).
  • Stel geen vragen over het recent verleden. Stel vragen over wat de oudere nu ziet, hoort, proeft, voelt of ruikt.
  • Bij beginnende dementie had de oudere al nood aan een beperking in het aantal gesprekpartners. Bij de tweede fase van dementie is die nood nog veel groter. Vermijd zoveel mogelijk de aanwezigheid van onbekende mensen in de omgeving van de oudere. Vermijd op die manier verwarring en een onaangenaam gevoel.
  • Vermijd schrikreacties. Zorg dat de oudere niet verschiet. Benader bijvoorbeeld de oudere nooit langs achter omdat er voor hen vaak niets aanwezig is achter hun rug. Blijf binnen het gezichtsveld. Maak gebruik van oogcontact.
  • Als de oudere wil praten over zijn/haar verleden, neem dan de tijd om hierover te praten. Veel ouderen hebben daar nood aan en dit helpt om gebeurtenissen te verwerken.
  • Negeer de gevoelens van de oudere niet. Probeer erover te praten. Ieder gedrag/gevoel heeft een reden.
  • Maak gebruik van muziek van vroeger. Zing samen een lied en beweeg hierbij indien mogelijk.
  • In deze fase heeft de oudere het moeilijk met tijd (welke dag is het, welk moment van de dag) en ruimte (waar bevindt de oudere zich, de oudere vindt moeilijk zijn/haar weg in het eigen huis,…). Help de oudere om de weg te vinden. Maak gebruik van geheugensteuntjes of aanwijzingen (bijvoorbeeld: een grote kalender, een duidelijk uurwerk dat dag en nacht aangeeft, de letters ‘WC’,…).